De Rechtbank Den Haag heeft onlangs uitspraak gedaan over de verjaring van een vordering uit hoofde van een schenking op papier.
Partij B en partij C stellen dat zij een vordering hebben op erflater uit hoofde van een schenkingsakte van 23 mei 1990, welke vordering (inclusief rente) volgens hen ten onrechte niet is opgenomen in de (concept) boedelbeschrijving opgesteld door partij A.
Partij B en partij C maken aanspraak op betaling van die vordering (inclusief rente).
Naar het oordeel van de rechtbank is deze vordering (inclusief rente) echter verjaard, en dus terecht niet opgenomen in de boedelbeschrijving.
Dat wordt hierna toegelicht.
Erfrecht. Schenking. Lening. Schenking op papier. Opeisbaarheid. Rente. Verzuim. Verjaring. Verlengingsgrond verjaring? Redelijkheid en billijkheid. Toetsing.
De rechter oordeelt als volgt.
In de notariële akte van 23 mei 1990 is bepaald dat erflaatster en erflater aan ieder van partij B en partij C een bedrag schenken van NLG 33.311,-.
In diezelfde akte hebben partij B en partij C dat bedrag weer in geldleen verstrekt aan erflaatster en erflater.
De voorwaarden voor deze geldlening zijn in de akte opgenomen.
De vorderingen van partij B en partij C betreffen dus een vordering tot terugbetaling van een geldlening (inclusief rente).
Deze rechtsvordering verjaart vijf jaar na de aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden (artikel 3:307 lid 1 BW).
In de akte is geen termijn voor terugbetaling opgenomen.
In het geval van een verbintenis tot nakoming van onbepaalde tijd verjaart de rechtsvordering in ieder geval door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag volgende op die waartegen opeising, zo nodig na opzegging, op zijn vroegst mogelijk was (artikel 3:307 lid 2 BW).
In de notariële akte was overeengekomen dat de vorderingen direct opeisbaar waren bij niet-betaling van de overeengekomen rente zonder dat enige inverzuimstelling nodig is.
De verschuldigde rente moest voor het eerst een jaar na de datum van de notariële akte worden betaald.
Vast staat dat nooit rente is betaald.
De vordering werd dus opeisbaar een jaar na de datum van de akte toen de eerste rentebetaling plaats had moeten vinden en de vordering is verjaard vijf jaar daarna (24 mei 1996).
Bovendien was geen looptijd voor de geldlening afgesproken, maar was overeengekomen dat de overeenkomst kon worden opgezegd met een opzegtermijn van drie maanden.
Ook de verjaringstermijn van twintig jaar nadat de vordering na opzegging had kunnen worden opgeëist is inmiddels verstreken (artikel 3:307 lid 2 BW).
Ook op die grond zou de vordering dus zijn verjaard.
Wat partij B en partij C daartegen hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel zoals hierna wordt toegelicht.
Partij B en partij C wijzen ten eerste op de verlengingsgrond die geldt tussen echtgenoten (artikel 3:321 lid 1 sub a BW) en stellen dat deze verlengingsgrond (naar analogie) moet worden toegepast tussen ouder en kind.
De rechtbank ziet echter geen aanleiding om deze verlengingsgrond in dit geval (naar analogie) toe te passen.
Die verlengingsgrond staat namelijk niet in de wet en volgt ook niet uit relevante jurisprudentie.
Die rechtspraak ziet uitsluitend op het bijzondere karakter van de rechtsverhouding tussen echtelieden en is niet van toepassing is op de rechtsverhouding die in deze zaak aan de orde is.
Ten tweede stellen partij B en partij C dat erflater of partij A de vorderingen uit hoofde van de akte heeft erkend.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt echter niet van erkenning uit de stukken waarnaar partij B en partij C verwijzen.
Wel blijkt dat de schenking op papier tussen 2022 en 2025 is besproken met de notaris, maar dat erflater of partij A in gesprek is gegaan over de schenking zegt op zichzelf niets over een erkenning van aansprakelijkheid.
Uit die stukken blijkt namelijk alleen dat de vordering en de rente ter sprake is gekomen (mede in het kader van het bereiken van een regeling), maar niet van een handeling of gedraging jegens partij B en partij C waaruit blijkt dat de schuld wordt erkend.
Partij B en partij C stellen ten derde dat zij niet bekend waren met de akte.
Partij B en partij C hebben de akte echter zelf ondertekend, dus ze worden naar het oordeel van de rechtbank met de inhoud daarvan bekend verondersteld per de datum van ondertekenen.
Ook dat nooit eerder een beroep op verjaring is gedaan, zoals partij B en partij C aanvoeren, is geen reden om geen verjaring te kunnen aannemen.
Ten slotte stellen partij B en partij C dat een beroep op verjaring in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Een beroep op verjaring kan slechts in uitzonderlijke gevallen, mede gelet op de rechtszekerheid, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank is, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen, geen sprake van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden.
Ook dit verweer slaagt dus niet.
Subsidiair stellen partij B en partij C dat als sprake is van verjaring, de overbedelingsvordering ontstaan bij het overlijden van erflaatster opnieuw moet worden vastgesteld waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de vordering is verjaard.
Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet juist, omdat van verjaring van de vordering destijds geen sprake was.
De betreffende schuld is destijds terecht in de boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflaatster opgenomen.
De rechtbank ziet dus geen aanleiding om met terugwerkende kracht de overbedelingsvordering die destijds is vastgesteld (en inmiddels ook is betaald) opnieuw vast te stellen.
Meer subsidiair stelt partij B nog – zo begrijpt de rechtbank – dat omdat nooit uitvoering is gegeven aan de schenking en lening, nu alsnog uitvoering moet worden gegeven aan de akte door betaling van de schenking.
Dat klopt niet, omdat in de akte juist is bepaald dat het bedrag is geschonken en direct weer is uitgeleend.
Destijds is dus wel uitvoering gegeven aan de schenking.
Partij B heeft het bedrag echter nooit op haar bankrekening ontvangen, omdat ze het bedrag in diezelfde akte direct weer heeft uitgeleend.
Dat is de strekking van een schenking op papier.
Partij A vordert een verklaring voor recht dat zij, de nalatenschap van erflaatster of erflater of de ontbonden huwelijksgemeenschap niets meer verschuldigd is aan partij B en partij C uit hoofde van de schenking op papier.
Deze vordering wordt in zoverre toegewezen dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat enige vordering uit hoofde van de schenking op papier is verjaard.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.