De Rechtbank Limburg heeft onlangs uitspraak gedaan over de uitbetaling van een kindsdeel.

Tussen partijen staat vast dat eisende partij in beginsel nog recht heeft op uitbetaling van het kindsdeel uit de nalatenschap van moeder ten laste van vader.

Verder staat tussen partijen niet ter discussie dat de vorderingen van de kinderen uit hoofde van de nalatenschap van moeder zijn omgezet in een geldlening met de afspraak dat die geldlening dient te worden terugbetaald aan eisende partij.

Eisende partij heeft vader op 10 januari 2025 aangeschreven en betaling van de geldlening inclusief rente gevorderd.

De vraag die partijen verdeeld houdt is of eisende partij hier terecht aanspraak op maakt.

Vader stelt dat de vordering van eisende partij tot betaling van de hoofdsom en rente is verjaard.

Ter onderbouwing van dit standpunt voert vader aan dat de verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing is.

In de akte van verdeling is immers limitatief opgesomd onder welke voorwaarden de vordering van eisende partij opeisbaar wordt.

In dit geval zijn de vijf jaar volgens vader gaan lopen vanaf 11 september 2015, het moment waarop de huwelijkse voorwaarden tussen hem en gedaagde partij 2 zijn omgezet en de schuld in de huwelijksgoederengemeenschap viel.

Eisende partij betwist dat de verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing is.

Zij stelt dat de verjaringstermijn van 20 jaar toegepast moet worden.

Volgens haar moet gekeken worden naar partijbedoeling bij de verdelingsakte.

Het is destijds de bedoeling geweest om de nalatenschap van moeder om te zetten in een overeenkomst van geldlening.

De opeisbaarheidsgronden uit de akte zijn bedoeld om zowel de belangen van vader als de kinderen te beschermen en daarbij past geen verjaringstermijn van vijf jaar.

Erfrecht. Kindsdeel. Uitbetaling van het kindsdeel. Opeisbaarheid. Omzetting van de geldvordering in een geldlening. Verjaring. Verjaringstermijn. Rente. Toetsing.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat de vordering van eisende partij twee onderdelen betreft.

Enerzijds de vordering tot betaling van geldlening en anderzijds de vordering tot betaling van de rente daarover.

In de verdelingsakte van 31 januari 2005 is immers een bepaling opgenomen die zit op de vraag wanneer de geldlening opeisbaar wordt.

Daarnaast is ook een bepaling opgenomen wanneer de wettelijke rente opeisbaar wordt.

Door de gemachtigden van partijen is ter zitting desgevraagd verklaard dat het de partijbedoeling was om de geldvordering en de wettelijke rente als één geheel te beschouwen in die zin dat er sprake is van een hoofdsom met daaraan gekoppeld de rente.

De rechtbank zal dit dan ook tot uitgangspunt nemen en voor wat betreft de opeisbaarheid van de vorderingen hierin geen onderscheid aanbrengen.

Voor de vraag welke verjaringstermijn van toepassing is, is het bepaalde in artikel 3:307 BW relevant en meer in het bijzonder de vraag of voor de geldlening een termijn is bepaald waarbinnen aflossing van de hoofdsom dient plaats te vinden.

Anders gezegd: is in de akte van geldlening een duidelijk aanwijsbaar moment bepaald waarop de geldlening moet zijn terugbetaald en is dat moment niet afhankelijk van onzekere toekomstige gebeurtenissen?

Als het antwoord op de die vraag ja is, dan geldt dat er een verjaringstermijn van vijf jaren van toepassing is.

Als het antwoord op die vraag nee is, dan is een verjaringstermijn van 20 jaren van toepassing.

In de akte van geldlening staat limitatief opgesomd onder welke omstandigheden (onderstreping rechtbank) de geldvordering opeisbaar wordt.

Het gaat allemaal om omstandigheden waarvan onzeker en daarmee onduidelijk is op welk moment die zich voor zullen of kunnen doen en -behoudens het overlijden van vader – tevens onzeker en onduidelijk is óf ze zich zullen voordoen.

Het gaat hier bovendien om een geldlening tussen familieleden, waarbij geen specifiek tijdstip voor terugbetaling van de geleende geldsom was bepaald.

Partijen hebben, zo erkennen zij ook over en weer, bedoeld de verbintenis tot terugbetaling niet direct opeisbaar te laten zijn en de gestelde verbintenis tot terugbetaling afhankelijk gesteld van onzekere in de toekomst gelegen factoren.

Ook is niet afgesproken in de verdelingsakte binnen welke termijn vader de geldlening moet terugbetalen, zo een van de in de akte genoemde omstandigheden zich zou voordoen.

Onder deze omstandigheden concludeert de rechtbank dan ook dat er sprake was van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 3:307 lid 2 BW.

De rechtbank verwijst in dit verband naar een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

De conclusie is dan ook dat de verjaringstermijn van 20 jaren van toepassing is.

Dat betekent in deze zaak dat met het vervallen van de huwelijkse voorwaarden tussen vader en gedaagde partij 2, de vordering die eisende partij heeft op vader met ingang van 11 september 2015 opeisbaar is geworden.

Nu eisende partij]op 10 januari 2025, dus ruim binnen de termijn van 20 jaren, de vordering heeft opgeëist, is deze niet door verjaring komen te vervallen.

Vader zal dus ook worden veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 23.975,00.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.