Het Gerechtshof Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de verjaring van de nakoming van een vaststellingsovereenkomst.
In de grief stelt eiser dat de rechtbank ten onrechte haar verjaringsverweer heeft verworpen, omdat de rechtbank bij de beoordeling van dat verweer niet heeft betrokken dat de vordering van verweerder haar oorsprong vindt in een verplichting tot schadevergoeding zodat de beoordeling van het verjaringsverweer aan de hand van het bepaalde in artikel 3:310 van het Burgerlijk Wetboek (BW) had moeten plaatsvinden.
Rechtsvorderingen tot vergoeding van schade verjaren blijkens genoemd artikel na verloop van vijf jaren na aanvang van de dag waarop de benadeelde bekend is met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon.
Erfrecht. Vaststellingsovereenkomst. Verjaring. Vordering tot nakoming van een betalingsverplichting. Schadevergoeding. Verjaringstermijn. Opeisbaarheid.
De rechter oordeelt als volgt.
Het hof stelt allereerst vast dat geen van partijen in hoger beroep de geldigheid van de afspraak tussen erflater en broer op 14 november 2002 heeft betwist.
Er kan dan ook vanuit gegaan worden, gelet op het handgeschreven voorstel van erflater op 14 november 2002 en de acceptatie daarvan door broer op dezelfde datum zoals hiervoor geciteerd, dat erflater en broer op 14 november 2002 een minnelijke regeling hebben getroffen voor de door broer door toedoen van erflater geleden schade.
Die overeenkomst hield in dat erflater aan broer een schadevergoeding van € 500.000,- zou betalen.
Deze afspraak heeft te gelden als een vaststellingsovereenkomst ter afwikkeling van de door broer geleden schade, waarop artikel 3:310 BW niet van toepassing is.
Een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting uit hoofde van een vaststellingsovereenkomst valt immers onder de verjaringsregel van artikel 3:307 lid 1 BW, dat bepaalt dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaar na de dag dat deze opeisbaar is geworden.
Artikel 6:38 BW bepaalt dat indien geen tijd voor de nakoming van een schuld is bepaald, de verbintenis terstond kan worden nagekomen of terstond nakoming kan worden gevorderd.
Nu in de overeenkomst van 14 november 2002 geen tijd voor de nakoming is bepaald, heeft te gelden dat de vordering van broer op erflater in principe zou verjaren op 14 november 2007 als erflater voor die tijd de overeenkomst niet was nagekomen of broer de verjaring van de vordering niet tussentijds had gestuit.
De stelling van eiser dat de rechtbank ten onrechte artikel 3:310 BW niet in de beoordeling heeft betrokken, is dan ook onjuist.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.