De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft onlangs uitspraak gedaan over de regeling van vruchtgebruik naar oud BW en het overgangsrecht.

Eisers stellen dat op grond van het bepaalde in artikel 126 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (ONBW) het testament van de heer A moet worden uitgelegd aan de hand van het oud Burgerlijk Wetboek (oud BW).

In het oud BW ontbrak een regeling die de vruchtgebruiker de bevoegdheid gaf de aan vruchtgebruik onderworpen goederen te vervreemden en te verteren.

Dit brengt met zich dat de heer A heeft gekozen voor een vruchtgebruik zonder de bevoegdheid voor erflaatster om de goederen waarop ten behoeve van haar vruchtgebruik zou worden gevestigd, te verteren.

Nadat de aan vruchtgebruik onderworpen goederen contant zijn gemaakt, zijn de op de beleggingsrekening gestorte gelden tot het vruchtgebruikvermogen gaan behoren.

De vordering op de bank, in dit geval de ABN AMRO bank, wordt naar oud recht als ‘eigenlijk’ vruchtgebruik beschouwd (in tegenstelling tot ‘oneigenlijk’ vruchtgebruik, dat ziet op een verbruikbaar goed).

In dit verband kan worden verwezen naar het arrest MeesPierson/Ten Bos.

Op eigenlijk vruchtgebruik is artikel 804 oud BW (dat ziet op afgifte van het vruchtgebruik bij het eindigen daarvan) niet van toepassing.

Op grond van het bepaalde in artikel 68a ONBW zijn daarom de bepalingen van het nieuw BW van toepassing op het vruchtgebruik van erflaatster, aldus eisers.

Erfrecht. Uitleg van een testament. Overgangsrecht. Regels van vruchtgebruik naar oud BW. Bevoegdheid tot vervreemding en tot vertering. Belegging. Zekerheidstelling.

De rechter oordeelt als volgt.

Eisers stellen dat op grond van artikel 3:214 BW de gelden op de beleggingsrekening in beginsel niet mochten worden verbruikt, maar moesten worden belegd.

Artikel 3:213 BW bepaalt dat al hetgeen in de plaats treedt van aan vruchtgebruik onderworpen goederen toebehoort aan de hoofdgerechtigden en dat dit ook aan het vruchtgebruik onderworpen is. Na het eindigen van het vruchtgebruik moet de vruchtgebruiker of zijn rechtverkrijgende op grond van artikel 3:225 BW het vruchtgebruikvermogen aan de hoofdgerechtigde ter beschikking stellen.

Bij het vestigen van het onderhavige vruchtgebruik had het vruchtgebruikvermogen een waarde van f 800.000,-, waaronder begrepen de twee appartementsrechten ter waarde van in totaal f 68.500,-.

Erflaatster heeft een bedrag van f 190.000,- van de beleggingsrekening besteed aan de aankoop van de woning aan adres 2.

De aankoop van de woning was een herbelegging als bedoeld in artikel 3:214 BW.

De woning maakt daarom op grond van artikel 3:213 BW onderdeel uit van het vruchtgebruikvermogen.

Op grond van het voorgaande kunnen zij daarom aanspraak maken op f 541.500 (€ 245.721,87) plus de woning in B (f 800.000,- minus f 68.500,- in totaal f 731.500,- minus f 190.000,-).

Dan wel, als de rechtbank oordeelt dat geen sprake is van zaaksvervanging, kunnen zij aanspraak maken op f 731.500,-.

Meer subsidiair vorderen eisers daarom € 331.486,39.

De executeur en gedaagde betwisten niet dat het testament van de heer A aan de hand van het oud BW moet worden uitgelegd en dat daarin het recht om de aan vruchtgebruik onderworpen goederen te vervreemden en te verteren niet voorkwam, maar – zo stellen zij – het oude recht kende wèl het stellen van zekerheid door een vruchtgebruiker.

Erflaatster was als vruchtgebruikster vrijgesteld van het stellen van zekerheid.

Bovendien was ten aanzien van het vruchtgebruik bepaald dat sprake was van een verbintenis uit hoofde van moraal en fatsoen, een zogenaamde natuurlijke verbintenis.

Het niet hoeven geven van zekerheid en het voldoen aan een natuurlijke verbintenis met betrekking tot het levensonderhoud van erflaatster, duidt op een recht van verbruik en vertering.

Het is volgens de executeur en gedaagde dus helemaal niet zeker of er naar oud recht geen sprake was van een recht op verbruik en vertering van het vruchtgebruik.

De executeur en gedaagde verbinden geen rechtsgevolg aan hun standpunt dat erflaatster naar oud recht (mogelijk toch) een recht van verbruik en vertering toekwam.

De rechtbank kan om die reden geen beslissing nemen over de verteringsbevoegdheid van erflaatster.

Dit staat aan de beoordeling van het geschil overigens niet in de weg, nu de executeur en gedaagde niet stellen dat erflaatster het vruchtgebruikvermogen heeft verteerd.

De executeur en gedaagde betwisten niet dat de vordering op de ABN AMRO bank met betrekking tot de op de beleggingsrekening gestorte gelden na contant making van de aan vruchtgebruik onderworpen goederen naar oud recht als ‘eigenlijk’ vruchtgebruik wordt beschouwd.

De executeur en gedaagde menen, anders dan eisers, dat de bepalingen van het oud BW van toepassing zijn op het vruchtgebruik van erflaatster.

Daaraan leggen zij artikel 87 ONBW ten grondslag.

De rechtbank volgt de executeur en gedaagde daarin niet.

Het uitgangspunt van de ONBW is de onmiddellijke werking van de nieuwe bepalingen, tenzij daarop een uitzondering is gemaakt.

Artikel 87 ONBW bevat geen uitzondering op de hoofdregel.

Eisers stellen naar het oordeel van de rechtbank terecht dat op grond van artikel 68a ONBW de bepalingen van het nieuw BW op het vruchtgebruik van erflaatster van toepassing zijn.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.