Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag welk recht op de erfopvolging van toepassing was volgens het Haags Erfrechtverdrag.
Volgens appellant is op de nalatenschap Belgisch recht van toepassing en wordt appellant -ondanks het feit dat hij onterfd is – naar Belgisch recht beschouwd als erfgenaam voor het reservataire deel van de nalatenschap.
Geïntimeerde heeft aangevoerd dat de vraag of appellant erfgenaam is in de nalatenschap van zijn vader (Persoon A) moet worden beantwoord naar Nederlands recht.
Aangezien appellant bij testament van zijn vader is onterfd en uitsluitend aanspraak heeft op een legaat ten bedrage van zijn legitieme portie is hij niet bevoegd deze vordering namens de nalatenschap in te stellen.
Erfrecht. IPR. Wet Conflictenrecht Erfopvolging. Haags Erfrechtverdrag 1989. Toepasselijk recht. Gewone verblijfplaats. Nationaliteit. Toetsing. Legitieme.
De rechter oordeelt als volgt.
Nu de nalatenschap van Persoon A is opengevallen op 2 mei 2005, moet aan de hand van artikel 1 van de Wet Conflictenrecht Erfopvolging van 4 september 1996 (Stb. 1996, 457) worden bepaald welk recht op de erfopvolging van toepassing is.
Artikel 1 van de Wet Conflictenrecht Erfopvolging verwijst daarvoor naar de Erfrechtverdrag van 1 augustus 1989 (hierna: Erfrechtverdrag 1989).
Dat betekent dat aan de hand van het Erfrechtverdrag 1989 moet worden bepaald welk recht op de nalatenschap van Persoon A van toepassing is.
De hoofdregel staat in artikel 3 van het Erfrechtverdrag 1989 en luidt:
- De erfopvolging wordt beheerst door het recht van de Staat waar de overledene zijn gewone verblijfplaats had op het tijdstip van zijn overlijden, indien hij op dat tijdstip de nationaliteit van die Staat bezat.
- De erfopvolging wordt eveneens beheerst door het recht van de Staat waar de overledene zijn gewone verblijfplaats had op het tijdstip van zijn overlijden, indien hij daar gedurende een tijdvak van ten minste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden zijn verblijfplaats had. Echter, in uitzonderlijke omstandigheden, indien de overledene op het tijdstip van zijn overlijden kennelijk nauwere banden had met de Staat waarvan hij op dat tijdstip de nationaliteit bezat, is het recht van die Staat van toepassing.
- Voor het overige wordt de erfopvolging beheerst door het recht van de Staat waarvan de overledene op het tijdstip van zijn overlijden de nationaliteit bezat, tenzij hij op dat tijdstip nauwere banden had met een andere Staat, in welk geval het recht van laatstbedoelde Staat van toepassing is.
Volgens artikel 5 Erfrechtverdrag 1989 kan een persoon het recht van een bepaalde Staat aanwijzen als het recht dat de vererving van zijn gehele nalatenschap beheerst.
De aanwijzing heeft alleen gevolg als deze persoon op het tijdstip van de aanwijzing of van zijn overlijden de nationaliteit van die Staat bezat of daar zijn gewone verblijfplaats had.
Met geïntimeerde is het hof van oordeel dat vooralsnog niet is komen vast te staan dat appellant erfgenaam is.
In het vonnis van 19 juli 2017 -waarnaar geïntimeerde heeft verwezen- staat dat het testament van 24 januari 2003 is verleden door een Nederlandse notaris.
Uit het dossier blijkt niet dat Persoon A een rechtskeuze heeft gemaakt.
Verder heeft geïntimeerde erop gewezen dat in het verstekvonnis van 13 september 2001 staat dat Persoon A op dat moment in Nederland verbleef.
Het hof zal er daarom -bij gebreke van andere aanknopingspunten vooralsnog van uitgaan dat Persoon A op 13 september 2001 zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.
Aan de stelling van appellant dat met het woord ‘verblijvende’ in dat verstekvonnis enkel werd bedoeld dat Persoon A op dat moment ook wel eens in Nederland verbleef maar dat dit onverlet laat dat hij zijn gewone verblijfplaats in België had, gaat het hof voorbij, nu die conclusie zonder concrete aanknopingspunten niet zonder meer getrokken kan worden.
Vast staat dat Persoon A de Nederlandse nationaliteit bezat.
Dat hij ook over de Belgische nationaliteit zou beschikken heeft appellant wel als mogelijkheid geopperd, maar dat blijkt vooralsnog nergens uit.
Dat betekent dat zelfs als Persoon A op het moment van zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats wel in België had, de erfopvolging niet op grond van artikel 3 lid 1 dan wel lid 2 door Belgisch recht wordt beheerst.
Voor de toepasselijkheid van lid 1 is vereist dat Persoon A ook de Belgische nationaliteit had en voor de toepasselijkheid van lid 2 is vereist dat hij gedurende ten minste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden (en dus ook op 13 september 2001) zijn verblijfplaats in België had.
Dit zou betekenen dat de erfopvolging op grond van lid 3 door de (in dit geval Nederlandse) nationaliteit wordt bepaald en dus door Nederlands recht wordt beheerst.
Dat er nauwere banden zijn met België is vooralsnog ook niet komen vast te staan.
Dit zou betekenen dat appellant geen erfgenaam is, maar legitimaris, aangezien een persoon die onterfd is naar Nederlands erfrecht geen erfgenaam is.
Appellant zou daarom niet bevoegd zijn om een vordering ten behoeve van de nalatenschap in te stellen.
Hij heeft weliswaar een vordering verkregen op de gezamenlijke erfgenamen (artikel 4:79 BW) maar dat is iets anders dan de bevoegdheid om namens de erfgenamen een vordering op een schuldenaar van de nalatenschap in te stellen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het berekenen van de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.